op de maat van kantelende dagen en de nacht
met open ogen en hellende vragen
verlang ik naar een stad
die tot stilstand komtmaar alles beweegt en slaat snaren aan
– Sabine Kars, Leunen tegen de flanken van de tijd
Ik zit in een klein hutje op een afgelegen boerderij bij Biddinghuizen. Bij aankomst vertelde de vrouw die hier woont en paardrijcursussen geeft dat het achtergelegen weiland het terrein is waar het Lowlandsfestival jaarlijks plaatsvindt. Nadat ik daar mijn verrassing over uitte, zei ik snel dat ik dat grappig vond, want ik was daar wel eens geweest. Dit was echter maar de halve waarheid: ik was hier wel eens geweest, alleen niet op Lowlands, maar op Opwekking, een christelijk festival tijdens pinksteren, dat op hetzelfde terrein is. Maar hoe leg je dat uit? Wat moet zij niet hebben gedacht van al die christelijke mensen die zich hier verzamelen en over Jezus zingen?
Ik ben naar dit hutje op de boerderij gekomen om afgezonderd te zijn. Ik doe dat altijd graag, omdat ik merk dat het me goed doet. Ik schreef tijdens een van die retraîtes ooit zelfs:
Ik ben in stilte gegaan en ik voel een symfonie opkomen, alsof pas wanneer ik mij afsluit van mijn omgeving, ik werkelijk de melodieën kan horen die binnen in mij gespeeld worden.
Ik hoopte op weer eenzelfde ervaring, zoals ik dat bijna altijd in meer of mindere mate ervaren heb, maar het bleef maar uit.
Dat dat uitbleef heeft, zoals ik dat nu helder voor me zie, twee redenen. Een retraîte kan niet meer zo overweldigend zijn, allereerst omdat ik weet wat er in mij is gebeurd en verwacht dat dat weer gaat gebeuren. Ik moet die verwachtingen vervolgens ook elke keer weer naast mij neer leggen, wat elk jaar moeilijker wordt, omdat ik dat proces van het naast me neer leggen ook weer ga verwachten, waar ik ook weer vanaf moet komen, et cetera. Er is altijd een haast boeddhistische ‘leegmaking’ nodig.
De tweede reden dat die symfonie uitbleef is dat het spookt. Specifieker: mijn apparaten blijven ‘zoemen’ en me afleiden, op een manier die Sabine Kars onnavolgbaar heeft weten vast te leggen in haar al eerder aangehaalde gedicht:
apparaten zoemen machines
dreinen hun vastzittende hoest
wint verwoestend terrein verziekt me
snoeit me maakt me met de grond gelijkringtones
pushberichten
moord en brand
altijd binnen handbereik van
knipperende mensen
De verbinding die ik hier heb is beter dan ik gewend ben op mijn retraîtes. Het is niet om van naar huis te schrijven, maar nèt goed genoeg om me te laten knipperen. Een opzoekactie die ik uitvoer op ofwel mijn mobiel ofwel mijn laptop ontaardt te vaak in een dwaalweg op het internet, waar ik van de ene op de andere afleiding stuit en achterblijf met slechts een vage notie dat ik nog iets moest opzoeken, maar niet meer weet wat, en dus met moeite de lijn van gedachten probeer te reconstrueren voor ik alweer afgeleid raak door iets anders.
De zon gaat prachtig okergeel onder en ik besluit, ontwaakt uit weer een of andere escapade, het achtergelegen weiland over te steken om vanaf de bosrand naar de ondergaande zon te kunnen kijken. Ik loop op een verhard pad dat langs een greppel loopt die vanwege zijn strak diagonaal aflopende kanten lijkt op een computersimulatie uit Sims of Rollercoaster Tycoon. Het weiland dat naar alle kanten feilloos vlak is bevestigt dit beeld. Ik zet wat vaart in, om nog de tijd te hebben om de zon onder te zien gaan, terwijl ik bedenk hoe onmogelijk het is om de plattegrond van het Opwekkingsterrein, dat nog met uitgelopen inkt in mijn geheugen staat geschreven, te herkennen op een homogene vlakte als deze.
Het onuitstaanbare van de verwachtingen die ik elke keer maar weer schep is dat het tot hardnekkige reflexiviteit leidt. Elk nieuw zinnetje dat bovenkomt moet een nieuw gedicht zijn. En bij elke gedachte die opkomt probeer ik patronen te zien uit vorige retraîtes, om te proberen te voorspellen wanneer ‘de doorbraak’ is, en ik, verlost van de reflectie, eindelijk in een roes kan gaan lezen en schrijven. Het is alsof ieder vonkje dat ondanks alle afleidingen nog weet op te komen landt op een klaargezette vuurplaats dat uitsluitend uit te grote houtblokken bestaat waarop het niet kan overspringen, maar direct weer uitdooft. Alles wat ik hier onderneem moet passen in een schema, alles moet ergens heen gaan.
Ik heb de bosrand waar ik naar op weg was bereikt en heb gelukkig nog voldoende tijd naar de zonsondergang te kunnen kijken. Ik ga zitten langs een sloot en verwacht er alweer zoveel van dat ik te lang de zon in staar en met vlekken in mijn ogen riskeer het hele gebeuren direct te verpesten. Ik kijk wat om mij heen om mijn ogen te laten wennen en plots valt mij in dat dit waarschijnlijk de sloot is die langs de jongerentent op het Opwekkingsterrein liep. Daarmee realiseer ik eveneens dat de greppel waar ik langsliep degene was die de campingplaatsen afscheidden van de tenten waar men samenkwam. Een en ander betekent dat ik waarschijnlijk binnen zo’n vijftig meter zit van de jongerentent, de plek waar de meest intieme herinneringen liggen van de tijd dat ik Opwekking bezocht, telkens weer in vervoering gebracht door de praiseband in de aanbiddingsdiensten.
Zoek ik eigenlijk niet nog steeds naar eenzelfde soort roes, maar dan op een meer volwassene manier, en filosofisch verantwoord? Want die God die ik toen verwachtte, die is al dood verklaard, en die collectieve roeservaring is dientengevolge massabedrog geworden. Als die roes nog kan bestaan, dan kan dat niet anders dan een hoogst individuele ervaring zijn. En dat die roes uitblijft, maar het spookt in mijn hoofd, is dan de consequentie waar Novalis al van spreekt: zonder goden gaat het spoken.
De zon is inmiddels net achter de laatste wolkenpartij gekomen, die als een soort bergketen vanaf de horizon omhoog lijkt te komen. De omgeving is nog goed verlicht, maar die zon, die laat zich vandaag niet meer zien. Hersteld van de vlekken op mijn netvlies aanschouw ik de kleurrijke lucht die ik beter kan zien nu de zon niet meer direct mijn kant op schijnt. Die God mag dan dood zijn, maar hij heeft wel een verdomd mooie lucht achter gelaten.
kijk mij
in gewaterverfde lucht
met reikhalzende ganzen wieken
leunend tegen de flanken van de tijd


